Reactie op Gelders Programma Water

Gelders Programma Water

Oordeelsvorming over Gelders Programma Water

2 april 2026

Geachte leden van Provinciale Staten,

de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW) is een complex geheel met veel actoren. Voor Provinciale Staten is van belang dat zij voldoende zicht hebben op het handelingsperspectief van de provincie zelf. Het nieuwe waterprogramma en het proces erheen zouden dan ook zo moeten worden ingericht dat GS en PS de komende zes jaar beter in staat zijn te sturen op doelbereik.

Hieronder vindt u onze uitgebreide bijdrage die u kunt gebruiken bij uw oordeelsvorming.

Kern

Op 8 april vindt oordeelsvorming plaats over Statenbrief 2025-013513 en bijlagen inzake de actualisatie van het Gelders Programma Water. In de brief worden aan PS enkele uitgangspunten voorgelegd met betrekking tot de niet-ruimtelijke kaders voor het waterprogramma.

Wij zien dat de inspanningen de komende jaren in de eerste plaats gericht moeten zijn op stevige extra maatregelen om de bestaande wettelijke doelen eindelijk te halen. Deze keuze zou echter niet de mogelijkheid moeten blokkeren om als provincie zelf normen te stellen als zich daartoe een noodzaak aandient. Provincies hebben onder de Omgevingswet eigen zorgplichten en verantwoordelijkheden.

De uitvoering van de KRW is een complex geheel met veel actoren. Het is moeilijk een goed inzicht te krijgen in bestaande doelgaten in Gelderland, in de uitvoering van maatregelen en het effect daarvan. Voor PS is van belang dat zij voldoende zicht hebben op het handelingsperspectief van de provincie zelf. Het nieuwe waterprogramma en het proces erheen zouden dan ook zo moeten worden ingericht dat GS en PS de komende zes jaar beter in staat zijn te sturen op doelbereik. Wij bevelen u daarom aan om hiervoor nu kaders mee te geven en daarbij gebruik te maken van de aanbevelingen uit de evaluatie van het lopende waterprogramma.

Consultatie inzake de uitgangspunten voor waterkwaliteit

In de Statenbrief vragen GS u te reflecteren op de niet-ruimtelijke kaders voor het nieuwe Gelderse Waterprogramma, zoals normen voor waterkwaliteit en hoogwaterveiligheid. Met betrekking tot waterkwaliteit stellen GS als uitgangspunt voor dat de provincie de wettelijke kaders hanteert, en de doelen en normen niet hoger legt dan noodzakelijk is voor het voldoen aan Rijks- en EU-regelgeving (inclusief eventuele nieuwe en aangescherpte normen).

In de brief en bijlagen wordt niet aangegeven om welke additionele doelen en normen het zou kunnen gaan en wat de voor- en nadelen hiervan kunnen zijn. Dat maakt het in onze ogen lastig om goed op deze uitgangspunten te reflecteren.

De wettelijke doelen zijn een ondergrens van wat nodig is voor een goede kwaliteit en kwantiteit van het (grond)water. Toch begrijpen wij, gezien de nog forse doelgaten, dat de inspanning in de eerste plaats gericht moet zijn op extra maatregelen om de wettelijke doelen eindelijk te bereiken. Wel adviseren wij de mogelijkheid in te bouwen dat de provincie zelf normen stelt als zich daartoe een noodzaak aandient. De documenten en discussie tijdens de politieke verkenning roepen bij ons twee vragen op:

  1. Landelijk en in Brussel wordt gekeken naar aanvullend beleid inzake nieuwe gevaarlijke stoffen. Terecht willen GS dat Gelderland tijdig anticipeert op nieuwe of aangescherpte regels, bijvoorbeeld voor PFAS. Maar het is denkbaar dat ten aanzien van nieuwe verontreinigende stoffen niet of te laat wordt opgetreden. Zo zien we momenteel een beweging om EU-normen op het gebied van pesticiden af te zwakken. De provincie heeft een eigen zorgplicht. Kan in het Gelderse beleidskader de mogelijkheid openblijven om wél eigen doelen te stellen ten aanzien van risicovolle stoffen wanneer hogere overheden in gebreke blijven?
  2. Hoe wordt bepaald wanneer sprake is van bovenwettelijke doelen en normen of van extra maatregelen van de provincie? Denk bijvoorbeeld aan provinciale maatwerkregels in de omgevingsverordening voor kwetsbare gebieden zoals grondwaterbeschermingsgebieden. Zulke bepalingen kunnen als maatregel hard nodig zijn om aan bestaande wettelijke doelen te voldoen. Het is belangrijk dat deze niet als bovenwettelijke norm worden geïnterpreteerd en op die grond afgewezen.

Kaders voor governance, keuze van maatregelen en doelbereik

De huidige consultatie gaat over een beperkt aantal uitgangspunten. Voorstellen voor maatregelen in het nieuwe RWP volgen in een later stadium. Wij adviseren u om aanvullende kaders mee te geven aan het proces van actualisatie, om zeker te stellen dat de provincie in de komende programmaperiode genoeg sturingsmogelijkheden heeft.

Uit alle bestaande analyses en evaluaties is duidelijk dat de gezamenlijke overheden onvoldoende hebben gedaan om de KRW-doelen tijdig te halen. Sinds 2021 is bovendien voor sommige KRW-doelen sprake van stagnatie. Ook in onze provincie blijft de belasting van grond- en oppervlaktewater met vervuilende stoffen (met name nutriënten, pesticiden en PFAS) te hoog; het oppervlaktewatersysteem blijft teveel gericht op water afvoeren; grondwaterafhankelijke natuur verdroogt door grondwateronttrekking.

Ondanks toegenomen samenwerking wijzen verschillende overheidslagen vaak met de vinger naar elkaar in plaats van samen en ieder apart verantwoordelijkheid te nemen (‘vluchtheuvelgedrag’). Voor kaders inzake nutriënten en mestbeleid wordt bijvoorbeeld door provincies en waterschappen terecht naar het Rijk verwezen, maar als het Rijk niet levert zijn de decentrale overheden ook zelf aan zet. Zij hebben op grond van de Omgevingswet duidelijke bevoegdheden om bij te sturen bij overschrijding van kwaliteitsnormen. Dit geldt in het bijzonder wanneer de provincie eigen kaders heeft gesteld, zoals voor schadelijke stoffen in de bodem in grondwaterbeschermingsgebieden. De provincie kan en moet ook scherper toezien op de inzet van de waterschappen.

Wij menen dat de provincie Gelderland lang niet alle mogelijke maatregelen heeft getroffen die doelbereik dichterbij hadden kunnen brengen. De evaluatie van het lopende RWP (regionaal waterprogramma) door Tauw en Arcadis laat zien dat veel voorgenomen activiteiten (organisatorisch) zijn uitgevoerd, maar dat inhoudelijk de doelen daarmee niet altijd binnen bereik zijn gekomen. Daarvoor zijn aanvullende maatregelen en betere sturing nodig. Ook is bij sommige maatregelen sprake van vertraging of stilstand, zoals gebiedsprocessen voor beekdalherstel, normering voor een robuuster watersysteem (waterberging) en maatregelen inzake natuurdoelen. De evaluatie stelt dat het vrijwillige karakter van veel maatregelen de effectiviteit beperkt.

Dat er nog forse doelgaten zijn is dus ook een gevolg van politieke keuzes inzake inzet van mensen, middelen, en meer dwingende maatregelen waar nodig. Met het terzijde schuiven van het VLGG is bovendien een belangrijk instrument voor integrale provinciale sturing weggevallen. Tauw en Arcadis doen in het evaluatierapport aanbevelingen voor een betere programmasturing, zoals scherpere formulering van doelen, heldere afbakening van verantwoordelijkheden, transparante geldstromen en minder vrijblijvendheid. U kunt dit gebruiken om kaders mee te geven voor de actualisatie van het programma.

Daarnaast lijkt het van belang dat PS frequenter en beter worden geïnformeerd over bestaande doelgaten en de effectiviteit van voorgestelde maatregelen met periodieke mogelijkheid tot bijsturing.

Belang van toegankelijke informatie over doelbereik op niveau van de provincie

Natuurorganisaties vragen al jaren om de gaten in het doelbereik voor de natuurdoelen en de restopgaven scherper in beeld te brengen. De factsheets van de waterschappen bevatten veel gegevens over de afzonderlijke waterlichamen, maar er is ook meer samenvattende sturingsinformatie nodig en soms meer duiding van wie aan zet is. Door gehanteerde rekenmethoden zoals ‘one in all-in’ voor nutriënten kan ook een vertekend beeld ontstaan van de nutriëntenopgave. GS heeft medio 2025 al een brief over doelgaten aan u toegezegd, die inmiddels is vertraagd tot Q2 2026. Het is van groot belang dat deze brief concreet inzicht biedt hoe de nog bestaande doelgaten kunnen worden opgelost.

Gebruik de komende periode al voor extra maatregelen en borg dit ook in andere beleidskaders zoals dat voor land- en tuinbouw

Op veel terreinen is al ruimschoots bekend welke aanvullende maatregelen effectief zijn. De provincie hoeft niet te wachten op afronding van landelijke kaders zoals het 8ste NAP om verdere stappen te zetten voor het terugdringen van emissies van nutriënten en pesticiden. Uit evaluaties volgt ook de aanbeveling om de KRW-doelen goed te verankeren op andere beleidsterreinen, en duidelijk te maken welke maatregelen in welk programma zijn belegd. De voorstellen van GS inzake ruimtelijke maatregelen in het beleidskader Land- en tuinbouw sluiten hier goed bij aan en verdienen verdere aanscherping in het uitvoeringsprogramma.

 

Profiel Ellen van Reesch

Ellen van Reesch

Natuur en landelijk gebied